We sturen je per e-mail een wachtwoord toe. Soms komt deze e-mail in je spambox terecht.

De volgende PlayStation. De volgende Xdoos. Daarna de volgende en kijk! De volgende achter die! We zitten goed tot PlayStation 10 die geen beeldscherm heeft, maar jou scant en in het spel ploft voor de meest interactieve ervaring ooit. Moeten we echt? Soms lijkt het alsof het niet meer over de games gaat, maar gewoon om mee te zijn.

Ineens zijn we terug twaalf: “Hoezo, je hebt een PS2 thuis staan? Loser!”

Iedere generatie belooft betere grafieken en realistischer geluid. Waar stopt het? Kijk naar de Atari 2600, we spreken begin jaren tachtig.  Het systeem beloofde een ervaring die je letterlijk mee in het spel zou trekken.  Ik herinner me sessies Combat die die belofte ook vlotjes inlosten. Twee tienjarigen naast elkaar op de zetel, verwikkeld in een dogfight die meer dan twintig minuten hun de fantasie verschafte dat ze moesten vechten op leven en dood.  Ik was gelukkig en wou niets meer.

Iets later vloog ik in mijn Cobra Mark 3 van de ene starbase naar de andere.  Het was zo immens belangrijk voor me dat ik twintig ton firearms kon verkopen op de zwarte markt.  Ik denk dat ik minstens een uur de starbase benaderd heb voor ik recht op de smalle gleuf af kon vliegen.  De wireframe van de kubus flitste voor mijn ogen.  Ik wist niet meer welke kant er zich voor mij bevond want ze leken allemaal op elkaar.  Ik crashte en heb nog nooit mijn oude C64 zo vervloekt als toen. Ik maakte het terug goed toen ik de docking pilot kon kopen. Niemand van mijn generatie kan dat nummer horen zonder rond te kijken voor Thargoids trouwens.  Ik was gelukkig en wou niets meer.

Mijn Commodore Amiga schotelde me meer dan 4000 kleuren voor.  Ik viel haast van mijn stoel de eerste keer dat ik mijn eerste digitale sample hoorde.  Guybrush threepwood was de eerste die mij zo hard liet lachen dat mijn ouders voor het eerst merkbaar twijfelden of zo lang achter mijn computer wel goed was voor mijn geestesgezondheid.  R-Type en Silkworm trainden mijn reflexen meer dan welk balspel ooit kon.  Ik was gelukkig en wou niets meer.

Daarna de crash.  Van een waar zintuiglijk orgasme ging ik terug naar een gemene grap.  Ik ruilde mijn Amiga 500 in voor een IBM AT.  Ik had 16 kleuren en een bieptoon voor geluid.
Veel van mijn vrienden noemden me gek en dwaas maar ik beet me vast.  EGA werd VGA en ik kocht een adlib kaart met 4 kanalen.  Ik speelde King’s Quest en probeerde Larry van de grond te laten komen in de stille uurtjes.  Diepgang nam de plaats in van goede graphics en geluid.  Ik was gelukkig en wou niets meer… wel ja, misschien een Soundblaster.

Elke nieuwe console en computer daarna beloofde meer en meer.  Echter die oude emoties kwamen niet meer terug.  Is het omdat we die oude dagen meegemaakt hebben dat we nu zoeken naar diepgang, plot en immersie?  Ja, mijn eerste Bahamut summonen was mega… Maar elk nieuw monster was gewoon een graphical upgrade.  Elke shooter is een nieuwe versie van Castle Wolfenstein.  Elke nieuwe racer een nieuwe Test Drive. Elke nieuwe beat-em-up een snellere International Karate, enzoverder…

Ik denk dat de game scène geen rekening kan houden met oude gamers.  Hoe kan het ook, er zijn nooit oude(re) gamers geweest.  Wij waren er bij pong, wij zijn er nu. Uiteindelijk hebben we de keuze om naar onze kinderen te kijken op hun nieuwe Xbox 720 en te overwegen of je hun wil uitleggen waarom je de purple tentacle moet stoppen.

Misschien lukt het je om hen uit te leggen dat je gelukkig bent en echt niets meer wil.

No more articles
Meer in Specials
Top 5 beste NPC’s

Sluiten